Hoe verloopt het gesprek?

De arts benadrukt dat hij moeder een goede moeder vindt. Hiermee schept hij een band en neemt hij een oordeel over haar en meisjesbesnijdenis weg: moeder doet iets uit liefde voor haar dochter, zonder zich bewust te zijn van de gezondheidsrisico’s.

De arts gebruikt dit gesprek om in te schatten waar mevrouw zich bevindt in de verandercirkel.

De arts merkt dat mevrouw kennis heeft van meisjesbesnijdenis als een positief ritueel: ‘niemand heeft er moeite mee’. Hierdoor begrijpt de arts dat mevrouw wat betreft de kennis over de gezondheidsrisico’s van meisjesbesnijdenis nog in een voorbeschouwende fase zit, en krijgt hij de kans om mevrouw voor te lichten over de gezondheidsrisico’s in een volgend gesprek.

Hoe begin je een gesprek over vgv?

Je kunt vragen stellen als:

‘Er is nog een ding dat ik met u wil bespreken …’

‘Ik weet dat in het land waar u vandaan komt de traditie meisjes besnijdenis bestaat, mag ik u eens vragen …’

‘Ik wil u ook nog iets vragen over een onderwerp dat te maken heeft met het land waar u vandaan komt. Ik weet dat veel/sommige meisjes besneden zijn in het land waar u vandaan komt en dat ouders het belangrijk vinden. Is het in uw gemeenschap de traditie om meisjes te besnijden?’

‘We hebben zojuist een aantal belangrijke onderwerpen besproken. Een ander onderwerp waar ik graag met u over wil praten, is meisjesbesnijdenis.’

In het voorbeeldgesprek is te zien dat de arts een aantal open vragen stelt. Hij vraagt bijvoorbeeld: ‘…’ Hij luistert en vat samen: ‘Klopt het dat u zegt …’ Hij geeft een gevoelssamenvatting: ‘Ik zie dat het u verbaast.’

Hij beweegt mee met moeder: ‘Ja, ik begrijp dat u een goede moeder wilt zijn.’ In zijn non-verbale communicatie is te zien dat hij geïnteresseerd en zonder oordeel is: hij knikt, lacht de moeder toe en zegt ‘hmm’.

Het is belangrijk om telkens terug te komen op het thema gezondheid en meisjesbesnijdenis en de continue rol van de JGZ daarin. De arts doet dat door te zeggen:

‘… zodat we een volgende keer er nog eens over doorpraten, wilt u dat?’

‘Binnen de preventieve gezondheidszorg nodigen we u samen met uw kind met enige regelmatig uit, om over allerlei zaken te praten. Meisjesbesnijdenis is er daar één van.’

Verandertaal uitlokken

Mevrouw zegt: ‘iedereen krijgt kindjes, twee dagen in het ziekenhuis en dan is het er’. De arts zegt tussen neus en lippen door ‘oeh da’s best lang’. Deze zin gebruikt hij als verandertaal om er in een volgend gesprek op terug te komen, en om met mevrouw te kunnen kijken naar gezondheidsproblematiek.

Een ander voorbeeld van verandertaal kan zijn als mevrouw zegt: ‘mijn zus heeft haar dochters niet laten besnijden’.

Motiverende gespreksvoering

De arts zoekt waar mevrouw zich bevindt in de verandercirkel, door te beginnen met openingsvragen en door regelmatig vragen te stellen als: ‘Wist u dat?’ ‘Zou dat kunnen?’ Of door te zeggen: ‘Ik kan u informatie geven’.

Welke fasen zie je in het gesprek?

Voorbeschouwing: is mevrouw op de hoogte of niet?

Overpeinzing: het onderwerp is in een eerder gesprek aan de orde geweest. Daarna doet de arts navraag of mevrouw er een mening over heeft. In deze fase probeer je mevrouw te bewegen tot ‘verandertaal’ met behulp van bijvoorbeeld de vraag: ‘weet u hoe het vrouwenlichaam eruitziet?’

Beslissing: in dit gesprek is meisjesbesnijdenis voor mevrouw normaal, ‘iedereen doet het’.

Module 2:

Openingsvragen 2

De arts ontmoet de moeder voor het eerst en brengt dus ook voor de eerste keer vgv ter sprake.


Dit onderdeel is een deel van het certificaat